interview met Annemie Maes -- januari 2005
 

Waarvoor staat Okno?

Okno is een platform voor drie verschillende organisaties die met kunst en technologie bezig zijn. Na enkele occasionele samenwerkingen hebben Looking Glass, Code 31 en mxhz.org één organisatie opgericht, waarin we elk onze eigenheid behouden door op drie niveau’s te werken. Eerst en vooral is er het research and development level, Code 31. Dat is een open studio voor kunstenaars die om de twee weken bij mekaar komen. Iedereen die bezig is met kunst en technologie kan daar naartoe komen met zijn problemen. De bedoeling is om kennis door te geven, en mekaar te helpen om technologische problemen in een artistieke praktijk op te lossen. Het tweede niveau is de organisatie mxhz.org [Machine Centered Humans], die zich voornamelijk met research op internationaal niveau en met internationale netwerking bezighoudt, onder verantwoordelijkheid van Guy Van Belle. En het derde niveau is gericht op productie en presentatie en die liggen in handen van Looking Glass.

Als je die drie niveau’s onder één noemer zou moeten brengen, zijn de belangrijkste trefwoorden dan inderdaad ‘kunst’ en ‘technologie’?

Ja, maar voornamelijk kunst. Het zijn drie organisaties die zich bezig houden met het gebruik van technologie – in de breedste betekenis van het woord - binnen de kunst. Dat kan gaan om digitale technologie, maar ook om analoge electronica, robotica, het werk met sensoren, en alles wat zich aanbiedt.

Looking Glass bestond al een hele tijd. Hoe is deze organisatie geëvolueerd?

Looking Glass is in 1977 ontstaan als kunstenaarsinitiatief en uit de behoefte aan alternatieve tentoonstellingsruimtes. Artiesten die niet meteen wilden tentoonstellen binnen het traditioneel circuit van galerieën en musea of van grote kunstencentra, zochten een plek om te werken in de publieke ruimte, en zo zijn we terecht gekomen bij de ruimte die achteraf Looking Glass is geworden. ‘Looking Glass window-gallerie’ was gelocaliseerd in een huis van het RITS op de Dansaertstraat in Brussel. Het was een ruimte waar het publiek niet binnenkon, maar die enkel als vitrine functioneerde. Dat brengt natuurlijk bepaalde beperkingen met zich mee, maar het was een uitdaging om met die beperkingen te spelen, en om het publiek op straat te betrekken bij wat er binnen gebeurde. Het ging grotendeels om een toevallig publiek en dat is erg belangrijk. Niet zozeer toeschouwers die vooraf hebben beslist om naar een tentoonstelling te komen kijken, maar mensen die per toeval geconfronteerd worden met het tentoongestelde werk. Meestal was dat werk ook interactief van aard, om de kijkers een gevoel van betrokkenheid te geven. Sommige interactieve installaties stonden voor langere tijd opgesteld, maar anderen waren maar één avond te bekijken.
Kan je een evolutie schetsen in de manier waarop technologie in kunst wordt aangewend?
Binnen Looking Glass was de technologie die gebruikt werd in de interactieve installaties in eerste instantie zeer eenvoudig. Dat kon gaan van een gewone performance, hetgeen je misschien niet meteen als ‘technologisch’ zou bestempelen. Het waren acties waar het publiek direct bij betrokken werd, of bijvoorbeeld ook kinetische installaties met kleine motortjes en dingetjes die ronddraaiden, of video-installaties waarbij de klank dan buiten hoorbaar werd gemaakt door het gebruik van sensoren. De laatste jaren, en gedeeltelijk ook door de inbreng van Code31 en mxhz.org, is Looking Glass zich veel meer gaan richten op digitale technologie, en voornamelijk naar connected performances. Regelmatig organiseerden we performances via het internet, maar soms was de ‘connectie’ ook heel wat letterlijker. De eerste samenwerking met Code 31 in Looking Glass was een workshop ‘Imagine Interface’ waarin het venster als interface tussen de straat en de binnenruimte centraal stond. Er zijn op die drie workshopdagen allerlei soorten kleine interfaces uitgedacht, de meest gekke dingen, met verschillende soorten sensoren en camera’s, motion tracking, lichtsensoren, klanksensoren op de ruiten. Dat was een enorm boeiend project.

Is het belangrijk om een zo groot mogelijk publiek voor die artistiek-technologische projecten te vinden?

Ik zou eerder zeggen dat we op zoek gaan naar een zo geïnteresseerd mogelijk publiek. Voor ons is de actieve participatie van het publiek het belangrijkst. We willen het liefst dat ze zelf hun computer of ander materiaal meenemen, en dat ze meestappen in wat er gebeurt. Natuurlijk ligt dat bij sommige performances meer voor de hand dan bij andere, maar dat blijft toch ons streefdoel. We willen de mogelijkheid altijd openlaten voor een onverwachte inbreng in de performance.
Ligt de nadruk bij jullie op het proces en het onderzoek, of eerder op het afgewerkte product?
Wat we tonen kan zeker nog in een onderzoeksstadium zitten, maar in een publiekscontext proberen we toch een minimaal niveau na te streven. Maar al die connected projecten via het internet waar we de laatste tijd het meest mee bezig zijn, zijn sowieso altijd aan constante verandering onderhevig. Je kan dus nooit zeggen dat de performances helemaal af zijn. Zelfs al is een performance klaar om te presenteren, dan wordt er toch nog voortdurend naar een volgend stadium toegewerkt. Hoe afgewerkt die stadia dan zijn hangt ook voor een groot deel af van de gebruikte technologieën die vaak nog heel nieuw zijn. In België zijn we over het algemeen nog niet goed uitgerust om internet-connected performances te organiseren, omdat je daar een bepaalde breedband technologie voor nodig hebt, en die is voorlopig alleen nog maar voor de economie beschikbaar. En dus helemaal niet voor kunstenaars, die zich dat niet kunnen veroorloven.

Hoe pakken jullie dat onderzoek naar technologie dan precies aan?

Het belangrijkste als je werkt met technologie, is dat je als kunstenaar perfect weet waar je mee bezig bent. Dat is dan ook één van de basisfuncties van Code 31 : om kennis steeds maar te blijven uitbreiden, en te delen met mekaar, zonder in een schools systeem te stappen waarin alle kennis van boven komt. Bij Code 31 wordt er van onderuit gewerkt op een artistieke manier. En natuurlijk is er ook de inbreng van Guy Van Belle, die in Nederland veel know-how heeft opgedaan en daar nog altijd werkt in organisaties die met kunst en technologie bezig zijn. In Nederland staan ze op dat punt wel veel veel verder dan in België wat maakt dat we goede contacten hebben met organisaties daar en daardoor ook gebruik kunnen maken van hun beschikbare technologie.

Is het voor Okno belangrijke om een vaste presentatieplek uit te bouwen?

Nee, de bedoeling is om op verschillende plaatsen projecten te presenteren. We noemen dat de public space, hoewel die term voor veel mensen met ‘buiten’ wordt geassocieerd. Dat is echter niet noodzakelijk zo. De public space kan zich even goed bij iemand thuis bevinden, in een appartement, in een ijskelder of bij andere kunstencentra, of ook buiten, in openbare gebouwen, weet ik veel, alles. Soms dient een bepaalde ruimte zich aan en wordt er een project voor uitgewerkt omdat de ruimte op zich zo bepalend is. In andere gevallen ga je uit van een bepaald concept, technologisch of van een andere orde: een idee waar je dan een perfecte ruimte voor zoekt.
Ik vind het wel belangrijk om dit soort werk naar een ruimer publiek toe te brengen in België, omdat er volgens mij veel te weinig mensen op de hoogte zijn van kunst en (digitale) technologie, nieuwe manieren van performen, andere praktijken om met klank en beeld om te gaan, enzovoort, en daar wil ik mij absoluut voor inzetten. Ik ben er mij van bewust dat dat publiek altijd redelijk beperkt zal blijven, maar dat is ook niet erg. Als er maar elke keer weer een paar mensen meer zijn die digitale kunst positief gaan connoteren.

Is er een bepaalde tendens die je op dit ogenblik kunt duiden binnnen de digitale kunst?

Volgens mij zijn dat de connected performances, omdat daar echt een vernieuwende stroming onstaat in de artistieke praktijk. Door de inbreng van het internet en breedband ontstaan er ongelofelijk veel manieren waarop je met mensen uit de hele wereld in real time kunt gaan samenwerken. Je bent niet meer gebonden aan één plaats. Van in Tokyo of Moskou kan je samenwerken met iemand in Brussel of New york. Alles gaat via het internet, je bent in constante connectie en er kunnen prachtige dingen ontstaan op die manier. Het heeft ook wel nadelen omdat alles in realtime gebeurt en je niet altijd alles onder controle kunt houden, maar dat is nu juist ook het spannende aan de zaak.

Je bent wel afhankelijk van het materiaal dat je gebruikt.

Ja uiteraard, als de internet-connectie wegvalt dan is alles ook plots gedaan en dan moet je dat ook kunnen opvangen, vlug terug opstarten, daarom is het heel belangrijk dat er kunstenaars zijn die niet alleen artistiek maar ook technologisch supergoed onderlegd zijn, maar gelukkiglijk is dat binnen Okno wel het geval.

Hoe ben je zelf in dit veld terechtgekomen?

Ik was al lang geïnteresseerd in samenwerkingen met mensen via het internet, eigenlijk vanaf het moment dat internet op een bredere schaal populair werd. Ik heb zelf wel wat projecten opgezet, al ben ik zelf niet erg technisch onderlegd. Toen ik de mensen van Code 31 en mxhz.org leerde kennen is alles eigenlijk heel snel gegaan. Je hoeft technisch niet op hetzelfde niveau te staan om toch op dezelfde golflengte te zitten. Ik zou meer niet in een andere, meer traditionele kunstdiscipline willen werken. De technologische kunst, en in bijzonder het internet, is een bijzonder intrigerend en interessant veld, en ik wil dat absoluut verder exploreren.

Hoe belangrijk is de kritische ondersteuning van het werk voor jou?

Kritische reflectie is erg belanrijk. Je moet af en toe kunnen terugkijken op wat je hebt gedaan, en er moet ook door andere mensen over nagedacht kunnen worden. Het is absoluut niet onze bedoeling om een beetje in het wilde weg in het rond te slaan. We willen echt wel kunst maken, Daar bedoel ik mee dat digitale kunst voor mij in het verlengde ligt van disciplines als schilderkunst, beeldhouwkunst, en andere. Het is een nieuwe strekking die zich op heel veel niveaus zal gaan uitsplitsen. Voor het ogenblik blijft het nog een beetje avantgarde en blijft het knokken om - zeker van officiële zijde - een beetje waardering te krijgen voor wat er in de digitale kunst gebeurt. Vaak wordt dat domein nog steeds niet als een kunstdiscipline beschouwd.
En dat kan je eigenlijk alleen maar doorbreken door goed werk te maken en te tonen, en door te proberen mensen daarvoor geïnteresseerd te krijgen. Daarnaast proberen we ook om de verschillende organisaties die met digitale kunst bezig zijn beter te organiseren om zo gezamelijk naar buiten te kunnen komen, en de sector zichtbaar te maken voor de overheid.

Denk je dat er nood is aan een plateau waar verschillende organisaties zich groeperen of is het belangrijk dat ieder nog zijn eigen eigenheid behoudt?

Het is zeker belangrijk dat iedereen zijn eigenheid behoudt. Digitale kunst is een heel ruime stroming, waarin ook vaak interdisciplinair wordt gewerkt met elementen van andere disciplines: muziek, performance, dans, theater, beeldende kunsten, literatuur, alles eigenlijk. Het is dus ook niet mogelijk om al die organisaties onder één noemer te gaan plaatsen. Elk initiatief werkt vanuit een eigen onderzoeksveld. Sommigen zijn bezig met ontwikkeling van nieuwe materialen, anderen zijn meer presentatiegericht, er is de robotica-richting,... Het is allemaal heel verschillend. We zijn dus niet gebaat met één vakje, of ook niet met één gebouw waar iedereen dan wordt samengebracht.
Maar het is natuurlijk wel belangrijk dat er onderling een goede verstandhouding is tussen de organisaties en dat je gemeenschappelijke noden kan formuleren, zoals bijvoorbeeld het probleem van de breedbandtechnologie, waarmee iedereen die met digitale media werkt te kampen heeft.

Hoe verhoudt België zich met de rest van de wereld als het op digitale media aankomt?

We staan hier toch wel een jaar of twintig achter, als je bijvoorbeeld vergelijkt met Nederland, wat toch vlakbij ligt. Daar zijn ze al veel veel verder met de ontwikkeling van digitale technologie. Zeker binnen de kunstensector, maar zo een instelling begint natuurlijk al binnen het onderwijs. In Nederland zijn veel scholen die een heel speciaal mediaprogramma hebben, terwijl die programma’s in België nauwelijks aan bod komen. Je hebt wel multimedia-afdelingen maar die zijn dan weer zo vaag georiënteerd dat de mensen die eruit komen bijna van nul moeten beginnen, terwijl het onderwijs in Nederland veel gerichter is.

Wat zijn de eerstvolgende projecten van Okno?

Eerst en vooral willen we .x-med-k., de workshops experimentele mediakunst, voortzetten. Dat is heel belangrijk voor de drie organiserende partners: Okno, Foam en Nadine. Juist omdat we er ons van bewust zijn dat digitale educatie in de artistieke sector totaal ontbreekt in België. En de enige manier om die kennis door te geven aan kunstenaars die geïnteresseerd zijn om met nieuwe media te werken, is onder de vorm van workshops.
Meer specifiek met Okno willen we onze research voortzetten naar vernieuwende productie- en presentatievormen in de klank/beeld-relatie, naar nieuwe manieren waarop klank en beeld in performance kunnen worden ingeschakeld. Dat zal onze hoofdbekommernis blijven.
Hoe zal er worden verder gewerkt met de .x-med-k. workshops?
De eerste uitgave van .x-med-k. was gericht op basisworkshops die openstonden voor iedereen die al een kunstopleiding had doorlopen. Dat kon echt alles zijn: er waren mensen uit muziek, beeldende kunst, film, foto, eigenlijk van overal.
In de tweede reeks zouden we graag op deze basis verder bouwen, en naast de inleidende workshops ook een aantal masterclasses voorstellen waar kunstenaars die al een bepaalde ervaring hebben in het werken met nieuwe media zich verder kunnen specialiseren. Zo komen we eigenlijk tot een tweeledige werking: basis en master. Nadine blijft de basisworkshops organiseren, maar met onze drieledige organisatie .x-med-k. willen we graag volgend jaar een grotere diversificatie in het aanbod binnenbrengen.

Wat is volgens jou de kracht van organisaties als Okno, fOam, Code 31, Nadine?

Ik denk dat de voornaamste kracht van deze organisaties ligt in de bereidheid tot vernieuwing. De technologie verandert zo snel, dat je voortdurend bereid moet zijn om bij te leren, anders zit je binnen de kortste keren vast. Je bent dus verplicht om constant nieuwe dingen uit te testen, alles in vraag te stellen, en van een andere kant te bekijken. Dat is de uitdaging van de digitale wereld.

Wat is voor jou recent de belangrijkste uitdaging geweest binnen de werking van Okno?


In de laatste projecten die we gepresenteerd hebben stond de ‘connectedness’ centraal, zowel locatief als dislocatief. M.a.w.: je kan ‘connected’ letterlijk nemen als samenwerking via het internet, maar je kan ook ‘connected’ zien als een intern netwerk dat gaat over samenwerking op het moment zelf, een kunstwerk dat gecreëerd wordt door meerdere kunstenaars tegelijkertijd en in realtime. Dit kan een psychologische druk geven omdat de mensen niet altijd perfect van mekaar weten wat ze juist aan het doen zijn, zelfs als er vooraf samenspraak geweest is. Soms gebeuren er al eens dingen waarbij je tegen een psychologisch stootje moet kunnen, men moet goed met mekaar overeenkomen.
Maar voor mij was één van de mooiste projecten die Okno dit jaar gepresenteerd heeft een project van mxhz.org. Het was een heel poëtisch project met artbot-ballonnen, waarbij gezocht werd naar manieren om de ballonnen te laten reageren als een vlucht vogels. Elk met hun eigen karakter en een eigen manier van reageren, maar toch gelinkt als groep. We presenteerden het project in een eerste stadium, en nu gaan we verder werken om die ballonnen niet alleen een eigen karakter te geven, maar ook om hun onderlinge communicatiepatronen uit te tekenen.
In het presentatiemoment van de eerste fase werd er een realtime samenwerking opgezet tussen Brussel en New York, omdat dit één van de werkwijzen is van de kunstenaarsgroep mxhz.org. Het project werd gelinkt via het internet. Op de twee plaatsen, in Brussel in de IJskelders en in New York op de artbot-show, vlogen er een twintigtal ballonnen die waren uitgerust met een kleine computer en een sonar die de afstand opmat van de ballon tot op de grond. Als het publiek onder de ballonnen doorliep, reageerden de ballonnen direct op het hoogteverschil. De geregistreerde data werden via een wireless bluetoothconnectie doorgegeven aan een computer die de data omzette in klank, en dat was de manier waarop de ballonnen communiceerden: door middel van klank. Maar het mooie van de connectie tussen New York en Brussel was, dat de data die gegenereerd werden in Brussel naar New York werden doorgestuurd en daar in klank werden omgezet, en vice versa. Dus eigenlijk hoorde je in Brussel de interactie met het publiek in New York en omgekeerd. Dat was voor mij een heel geslaagde samenwerking. Met een bijzonder poëtisch visueel beeld.