Pieter van Bogaert in de Financieel Economische Tijd, donderdag 8 oktober 2004

Terug naar de machine

De digitale cultuur is in de eerste plaats gericht op software. Die moet onze machines zo klein en zo autonoom mogelijk maken. Ze moet er eigenlijk voor zorgen – maar daar slaagt ze nooit helemaal in – dat we onze machine vergeten. De Amerikaanse muzikant Nicolas Collins wil daar wat aan doen. Hij is momenteel in Brussel voor een workshop over ‘hardware hacking’. Zaterdag geeft hij een concert in de ijskelders van de VUB.

De generatie componisten waarbij Collins zichzelf rekent begon te werken in een tijd dat de computer nog niet zo alomtegenwoordig was. Elektronische instrumenten waren toen enkel betaalbaar voor popsterren en universiteiten. Chips waren nog onbekend en de elektronische circuits op de controleborden in de computers en andere instrumenten waren met het blote oog te volgen en (bijna) te begrijpen. De toestellen waren duur, maar de onderdelen waren zeer goedkoop. Arme muzikanten als Collins knutselden dan maar zelf hun instrumenten in elkaar.
Collins bouwde zijn eerste instrumenten toen hij nog studeerde in het New York van de jaren zeventig. Zoals zijn leermeesters, Alvin Lucier en David Tudor, combineerde hij akoestische en elektronische elementen (een schuiftrombone omgebouwd tot sampler bijvoorbeeld) en zag hij hoe ze fysiek reageerden op de invloed van de ruimte. Diezelfde wisselwerking tussen elektronica en improvisatie vindt hij terug bij Steim, de Amsterdamse stichting voor elektronische improvisatiemuziek, waar hij in de jaren negentig artistiek directeur was.
Collins vertelt een anekdote die typerend is voor de anarchie van de late jaren zestig waaruit organisaties als Steim groeiden. Het gaat over Michel Waisvisz, de leider van het centrum, die zijn eerste elektronische instrument uitvindt door zijn handen op de elektronische kaart te leggen in de radio van zijn vader. Hij hield er een stevige elektrische schok aan over, maar het belangrijkste was het ongehoorde gekraak en gepiep dat het contact van zijn lichaam met de elektrische circuits veroorzaakte. Met wat oefening slaagde Waisvis erin de radiogolven te beheersen. Het is die techniek die hij later toepast voor de ‘Cracklebox’, een houten kastje met elektronische circuits aan de buitenkant die bespeeld kunnen worden door er met de duimen over te wrijven.
Collins noemt zijn generatie de opvolgers van grote improvisatiekunstenaars als John Cage en David Tudor en de voorlopers van digitale vernieuwers als Oval of Moby. Als tegen het einde van de jaren zeventig computers op de markt komen in de vorm van compacte en betaalbare Apples of pc’s, hangen de meeste van Collins’ companen de soldeerbout aan de haak en gaan ze in plaats daarvan coderen. Dat was het begin van de softwarecultuur. Maar toch werd de machine, de hardware, nooit helemaal vergeten. De schroevendraaier en de soldeerbout bleven binnen handbereik.

Luisteren
Ik ontmoet Nicolas Collins eerder deze week, tijdens de eerste dag van de .x-med-k.-workshop (de lettercombinatie staat voor ‘experimentele mediakunst’) in het Brusselse cultuurhuis Nadine. Trots toont hij me een van zijn zelfgebouwde instrumenten. Het is ongeveer even groot als de ‘Cracklebox’ (het formaat van een gameboy, zeg maar) en wordt eveneens met de duimen bespeeld. Dit toestel werkt niet met tastbare circuits, maar met optische componenten die reageren op schaduwen en licht. Een optische ‘theremin’ als het ware, met als belangrijkste component een chip van amper 20 eurocent.
Voor dit instrument geldt hetzelfde als bij alle andere instrumenten: oefening baart kunst. De gebruiker moet leren voelen, maar vooral luisteren hoe het instrument reageert op het lichaam. Luisteren is ook het eerste wat de deelnemers aan deze workshop leren. Met contactmicrofoons luisteren ze naar de elektronica (radio’s, televisies, computers,…) in hun omgeving en naar de onzichtbare microgolven die ze allemaal uitzenden.
De volgende stap is voelen. Collins gebruikt liefst simpele en goedkope elektronische onderdelen die je kan controleren op de tast. In plaats van nieuwe dure instrumenten te kopen, laat hij de deelnemers er liever bouwen. Net zoals hij het deed toen hij zelf muziek begon te maken. Na het bouwen komt het kijken: de handeling waar elke onderzoeker mee begint, komt hier op de laatste plaats. Collins werkt niet als een theoreticus, maar als een hacker. Zijn techniek is die van proberen en (ver)gissen. Wat telt is het resultaat. Deze wetenschappers hoeven niet echt te weten waarom. Meer zelfs: vergeten en afleren zijn dikwijls belangrijker voor een waardevol experiment dan onthouden.
Uiteraard zijn dit dingen die je beter niet in je eentje thuis probeert. Collins heeft genoeg ervaring als begeleider van vroegere workshops én als goede huisvader om zijn pupillen tijdig te waarschuwen. Eerste regel is om enkel instrumenten te gebruiken die werken op batterijen – zo vermijdt men dodelijke elektrische schokken. Gebruik ook geen dingen die je later nog wil gebruiken – uit elkaar halen is makkelijker dan opnieuw in elkaar steken. Gebruik enkel eigen dingen – geen dingen van je buurman of van je broer of je zus.

Voor zijn concert van zaterdag opent Collins een heel ander register. Hij duikt in zijn archieven en brengt ‘Pea Soup’, een compositie uit 1974. Het tactiele element blijft prominent aanwezig omdat Collins voornamelijk gebruik maakt van feedbackeffecten in de imposante akoestiek van de Oudergemse ijskelders. In 1974 bracht Collins zijn compositie nog met behulp van tastbare elektrische circuits. Vandaag bezwijkt ook hij voor de elegantie van de software en gaat alles via de laptop. Het eigenlijke instrument is de ruimte en die wordt voornamelijk bespeeld door het publiek dat moet bewegen om de verschuivingen in de klank te horen.
Verwacht hier dus geen demonstratie van technieken uit de workshop. Voor de resultaten van .x-med-k. is het nog even wachten tot half december. Tegen dan zijn de verschillende workshops, waarvan de eerste plaatsvond in mei, afgelopen en zullen de deelnemers demonstreren waar ze toe in staat zijn met software én met hardware.

‘Collaborative Pea Soup’, het concert van Nicolas Collins en mxHz.org [guy van belle] vindt plaats op zaterdag 9 oktober om 20u30 in de ijskelders van de VUB, Waversesteenweg 1015 te 1160 Brussel